Column Henk van Buiten Projectleiders passend onderwijs
Projectleiders passend onderwijs
Onlangs hoorde ik dat er weer een belangrijke stap is gezet in de verdere ontwikkeling van passend onderwijs in Nederland. “Ja”, zult u denken, “ je bedoelt de brief van de minister van 17 juni.” Nee, die bedoel ik niet! Papier is immers geduldig, het gaat om de mensen. Toch?
Nee, ik bedoel de aanstelling van vijf projectleiders passend onderwijs. Vijf projectleiders? Ja, vijf projectleiders! Eén projectleider namens de PO-raad, één projectleider namens de VO-raad, één projectleider namens het speciaal onderwijs en twee projectleiders namens het ministerie: één voor het PO en één voor het VO. 5 projectleiders dus!
Nou moet u weten dat ik uit de traditie kom dat je dit soort zaken niet zo maar voor zoete koek slikt, maar je van nature afvraagt; “Wat kan daar nou achter zitten? Waar kan zo’n overdaad aan projectleiders op duiden?”
Laten we de mogelijkheden eens langs lopen.
Mogelijkheid 1: het zekere voor het onzekere
Tot nu toe ken ik alleen maar projecten die worden geleid door één projectleider, eventueel vergezeld van meerdere projectmedewerkers, maar, zo moet men in dit geval gedacht hebben, “passend onderwijs is zo’n belangrijke innovatie, dat gaan we niet redden met één projectleider en vier projectmedewerkers, we doen meteen maar vijf projectleiders”. De ‘het-zekere-voor-het-onzekere-aanpak’. U kent hem wel.
Mogelijkheid 2: ’t is ingewikkeld
Passend onderwijs is een ingewikkelde onderwijsvernieuwing en dat vraagt veel aansturing. De schoolbesturen krijgen inschrijfplicht en de onderwijsgevenden moeten vaardigheden ontwikkelen om zo veel mogelijk kinderen in het regulier onderwijs een passend onderwijsaanbod te doen. Maar laten we eerlijk zijn: zo ingewikkeld is het eerste niet. Het laatste wel. Ga d’r als juf of meester maar aan staan. Maar heb je daar nou landelijk vijf projectleiders voor nodig? Zeg nou zelf.
Mogelijkheid 3: georganiseerd wantrouwen
De belangen bij passend onderwijs zijn groot. Het gaat immers over veel geld en over veel werkgelegenheid. Denk maar eens aan al die ambulante begeleiders en (zwakke) so-scholen die de belangen van de kinderen hoog houden en natuurlijk, niet te vergeten, hun eigen werkgelegenheid. Alle betrokken partijen hebben belangen die het waard zijn verdedigd te worden, en die komen niet altijd met elkaar overeen. “Om te voorkomen dat één partij er met ‘de buit’ vandoor gaat”, zo moet men gedacht hebben, “laten we het de partijen zelf onderling uitknokken”. Dus vijf projectleiders die de bestaande belangen verdedigen en het wantrouwen moeten organiseren.
Misschien zijn er nog meer mogelijkheden, maar ik kan ze op dit moment niet bedenken. Wat ik wel kan bedenken is dat het jammer is dat ze een projectleider namens de ouders en hun kinderen vergeten zijn. Welk belang kan daar nou weer achter zitten?
Henk van Buiten
